Alle overige Lespakketten zijn verkrijgbaar in Webshop vrije selectie.Uitgezonderd Lespakket 10 (SPECIAL) zijn alle overige Lespakketten voor zegge en schrijve € 5,- onmiddellijk te downloaden. Zo goedkoop, zo goed, zo gemakkelijk! Met elk Lespakket investeert u in uw toekomst!
Deze papers zijn GRATIS te downloaden. In SSRN_ID364640 is fors kritiek geleverd op het leerboek 'Financiële Rekenkunde' van de auteurs H.G.W.K. Bruijns en C.C.W. Pinkse, uitgever Wolters Noordhoff, Groningen, 1996. Noch auteurs, noch uitgever hebben adequaat gereageerd. Overal (hbo, universiteit en elders) waar dit boek of een soortgelijk boek in gebruik is, wordt achterhaald en ouderwets onderwijs gegeven.
Lespakket 2
Wie méér wil weten over welke rekenrente gehanteerd moet worden (in de meeste gevallen van disconteren):
De vermogenskostenvoet van een onderneming, de zo te noemen rekenrente (of calculatierente), of cut-off rate, of I-eis, waaraan investeringsprojecten moeten voldoen, wordt algemeen aangeduid met WACC (Weighted Average Cost of Capital). Uiteenlopende WACC's binnen één onderneming zijn denkbaar als gevolg van extra risico toeslagen of omdat men bepaalde producten, groepen, landen, enzovoorts wil behandelen op een speciale manier. Men kan een hogere of een lagere I-eis (ten opzichte van standaard WACC) stellen in voorkomende gevallen.
Lespakket 2, p. 87: ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
NCW en IRR zijn beide ontleend aan dezelfde functie: NCW = f(I). I = rentevoet
Er zijn auteurs die NCW en IRR als twee aparte methoden presenteren zoals Blommaert & Blommaert dat doen. En Tijhaar en Van Halem en Van der Pol en zoveel andere economen die blijkbaar onvoldoende beseffen wat een functie is. Met gekunstelde vooronderstellingen die daarbij dan worden gemaakt zoals bij IRR de vooronderstelling "dat de tussentijds vrijkomende netto-ontvangsten kunnen worden herbelegd tegen de interne rentevoet (Blommaert & Blommaert, 1997, p. 228)." Voor wat er wel of niet gebeurt met cash flows die uit het project zijn teruggevloeid is de IRR-methode noch dat project verder aansprakelijk. Toch staat in menig leerboek deze gewraakte vooronderstelling en auteurs als Van Halem en Van der Pol spreken zelfs over "een zwak punt van de methode (Van Halem en Van der Pol, 1989, p. 234)." Deze auteurs brengen vervolgens een gecorrigeerd rentabiliteitscijfer te berde en noemen nog meer zogenaamd zwakke punten van de IRR-methode. Het gaat hier om niks meer en niks minder dan een stukje toegepaste wiskunde. Het begrip 'schaalgrootte' is er niet alleen aan het begin maar gedurende heel de looptijden van investeringsprojecten. Dat staat echter los van genoemde functie; daarover zegt die functie helemaal niets! Weet wat die functie kan en niet kan. "Unfortunately some of those who have advocated use of this procedure have done so for the wrong reasons or have made claims for it that cannot be fulfilled. All of us recognize that the simple screwdriver is a useful tool when properly used. There is no need to revise that opinion because an inexperienced do-it-yourself enthusiast reports disastrous consequences from his attempt to use a screwdriver in a situation where a chisel was required (Bierman en Smidt, 1971, p. 62/63)."
Geld kost geld. Vrijgekomen afschrijvingen (onderdeel van de cash flows) zijn te duur om ongebruikt te blijven liggen en dat geld zal (tijdelijk) worden geherinvesteerd met opbrengsten die vanzelfsprekend minstens gelijk moeten zijn aan de kosten van het geld. Eventueel kunnen afschrijvingen worden gebruikt ter aflossing van (tijdelijk) overtollig vreemd vermogen. Een en ander behoort tot het financieringsvraagstuk.
In heel veel leerboeken Bedrijfseconomie (nationaal én internationaal) staat geschreven:
NPV and IRR are TWO measures of investment worth.
They are ranking devices, which may lead to conflicting prioritisation of investment proposals.
Wat prof. Wouters - in navolging van prof. dr. J.A.M. Theeuwes RA, emeritus hoogleraar Technische Universiteit Eindhoven - beweert in Structure_of_Finance_Accounting (411002) inzake NPV (Net Present Value) is bewezen onjuist. In reactie hierop, na debat met Wouters, schreef ik mijn hieronder genoemde paper Capital Budgeting, NPV v. IRR Controversy. En klik voor mijn verdere commentaar op wat Wouters nog meer beweert: Structure_of_Finance_Accounting en commentaar.
Structure of Finance & Accounting, 411002, studiemateriaal masteropleiding Universiteit Twente: "IRR and NPV may, however, lead to conflicting prioritisation of projects. See Keef and Roush (2001) for a discussion and review of the literature."
Wouters beweert iets over IRR en NPV (Net Present Value, in het Nederlands NCW, Netto Contante Waarde) en verwijst naar de literatuur, te weten Keef en Roush (2001), teneinde zijn bewering te staven, mag men toch veronderstellen. Echter, Keef en Roush staven Wouters' bewering niet. Genoemde auteurs missen (in een artikel dat gepubliceerd is in 2001) - net als Wouters - de kern van waar het hier om gaat.
In Lespakket 3 is uitdrukkelijk naar dit paper verwezen. Noodzakelijk, want in Lespakket 3 is de rekenmethode behandeld zoals die staat in de beste leerboeken en die methode moet men eerst onder de knie hebben, om vervolgens tot de ontdekking te komen dat deze schijnbaar juiste methode bij nader inzien toch niet blijkt te voldoen. Wat en hoe precies? Dát staat in genoemd paper, en het is GRATIS te downloaden vanaf de SSRN-site.
Citaat, uit een proefschrift, dat is goedgekeurd onder verantwoordelijkheid van Universiteit Twente:"One could argue that once the depreciation of a machine is completed, the costs associated with this (fixed) investment disappear ….. (Van Triest, 2000, p. 112)."
The cost structure of firms - managing fixed versus variable costs -, Triest, S.P. van, thesis Universiteit Twente, 2000. Een proefschrift. Nederlandse universiteit. Je gelooft je ogen niet.
Lespakket 3, p. 131: ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Aanvankelijk vonden we de economische levensduur van een dpm samen met de bijbehorende minimale X (het stukje kostprijsvergoeding vanwege dat dpm) uitgaande van een bekende boekwaarde, de nieuwprijs van het dpm aan het begin. Een dpm is niks anders dan een stapel werkeenheden. Het gaat in feite om een "vertaling" van die nieuwprijs in de prijs c.q. de waarde per werkeenheid. Als omgekeerd de waarde per werkeenheid bekend is (die waarde kan overigens elk moment veranderen) en tevens hoeveel werkeenheden nog verwacht mogen worden (ook daar kan men op verschillende momenten anders over denken) dan is die informatie terug te vertalen tot de huidige boekwaarde van het dpm. Het gaat inderdaad om een precieze vertaling van het een in het ander of van het ander in het een. Nog werkeenheden over? Dan heeft het dpm waarde! Het bestaat niet dat een dpm bedrijfseconomisch volledig is afgeschreven als het ding nog prestaties c.q. werkeenheden levert.
The very essence, in English: A machine is a lot of working-units. The worth of the machine, at least one of the possible valuations, is the translation of the worth of the working-units and vice versa. As long as working-units are left over at a certain value each, the machine is an asset, to be entered onto the balance sheet, along with an economical value and there will be value differences i.e. costs, which must be charged to the profit and loss account. There is no such thing as a free machine.
Hiermee geconfronteerd gaf Van Triest geen commentaar. Van de zijde van Universiteit Twente is ook na herhaald verzoek nog geen reactie ontvangen. Zodra wel, verschijnt het op deze plaats.
Lespakket 4
Wie méér wil weten over hoe in één enkel rekenschema (dat in woorden eenvoudig is te onthouden, immers Omzet plus/min Voorraadmutatie minus Kosten is Resultaat) alles samenvalt van zowel AC-calculatie als DC-calculatie en ook breakeven-analyse alsmede iso winstlijnen:
Onderstaand treft u een discussie aan waarbij het in de kern gaat over goed onderwijs en correct examineren. Het begon met het correctievoorschrift behorend bij het VWO Examen Ec. Wet. II en recht (oude stijl) 2002. Dit middelbare schoolexamen werd - volgens de lijn van Vernooij - verkeerd beoordeeld, aldus luidt Jacobs' stelling.
Dispuut Vernooij - Jacobs, overzicht
Naar aanleiding van het correctievoorschrift behorend bij het VWO Examen Ec. Wet. II en recht (oude stijl) 2002 gaf ik (Jacobs) in het openbaar mijn kritiek en Vernooij kwam met zijn repliek. Na mijn dupliek haakte Vernooij af, zonder opgaaf van redenen. In het belang van goed onderwijs en met het oog op toekomstige onomstreden examenbeoordelingen, dient duidelijk te worden hoe (daar draait het genoemde dispuut om) bezettingsverschillen berekend moeten worden.
Vernooij acht goed wat fout is en fout wat goed is; Vernooij doet een en ander (volgens Jacobs' argumenten die door niemand zijn weerlegd) volkomen fout. Puur onrecht. Arme studenten, die verkeerd beoordeeld werden in 2002, en nog steeds verkeerd beoordeeld worden, zolang dit punt niet is rechtgezet.
Aanvankelijk richtte Vernooij zich als volgt tot mij:
Geachte heer Jacobs,
Via Econnet ontving ik uw brief. Ik ben niet rechtstreeks betrokken bij de examens vwo oude stijl, maar ik wil er als lid van het VECON-bestuur toch graag op reageren. Uw betoog spreekt mij erg aan, althans voor een deel. Het bezettingsresultaat kan alleen bestaan op constante kosten en niet op variabele kosten. Minder uren draaien levert altijd minder variabele kosten op. Bij de constante kosten ligt dat anders. De werkelijke uren maal het uurtarief moeten dan vergeleken worden met het normaal aantal uren maal het uurtarief.
Het is echter ten principale onjuist om de bezetting in producten per jaar uit te drukken, zoals in uw toelichting gebeurt …..
Enkele citaten uit mijn stukken aan Vernooij:
Wetenschap is discussie en pas uit de botsing der opinies kan de waarheid ontstaan. Ik gaf iets aan, ik gaf kritiek. U komt met repliek. Sta mij toe een dupliek.
Mijn betoog (n.a.v. VWO Examen oude stijl 2002) spreekt u erg aan, schrijft u mij, althans voor een deel. U geeft helaas niet duidelijk aan, wat wel en wat niet. Ik ben het roerend met u eens dat formules en berekeningen de dimensietoets moeten kunnen doorstaan. Als de dimensies niet kloppen, dan staat er onzin.
We moeten inventariseren waarover we het (nog) niet eens zijn. Daarover kunnen we argumenten uitwisselen, in een poging samen tot de waarheid te komen. Als verstandige mensen moeten we het ten slotte eens worden, al was het maar over noodzakelijk verder onderzoek betreffende die zaken welke nu nog niet helder zijn.
Het gaat niet om het verkoopresultaat in combinatie met een (wel/niet eenduidig?) budgetresultaat; geen wonder dat studenten daarmee in de knoei komen. Het bedrijfsresultaat is bij voorkeur niet het verkoopresultaat met nog wat, maar eenvoudigweg omzet minus kosten. Zo is het Werkelijk Resultaat uit te schrijven: werkelijke omzet plus eventueel voorraadmutatie minus werkelijke kosten. En zo is ook, móet ook, het Actueel Budget uitgeschreven worden: verwachte omzet plus eventueel verwachte voorraadmutatie minus verwachte kosten. Pas dan ziet men alles, voerend tot een volledige verschillenanalyse. Uitgaande van het verkoopresultaat ziet u, analyseert u máár een stuk van de werkelijkheid.
Het analyseren van het totaal (Omzet minus Kosten is Resultaat) is nota bene veel eenvoudiger dan werken volgens de schema's in uw artikel in TBA, uitgaande van het verkoopresultaat. We kunnen uitgewerkte vraagstukken uitwisselen, uw manier en mijn manier. We zijn het eens over het principe. Analyses moeten volledig zijn, uitgewerkt tot in het kleinste detail, en voldoen aan de dimensietoets. Er moet terecht QED onder gezet kunnen worden.
Er stond QED onder mijn uitwerking van dat VWO Examenvraagstuk. U bent het gedeeltelijk met mij eens, schrijft u mij, waarmee niet? Dat moet u concreet aangeven, want - als u gelijk heeft en ik ongelijk - dan moet niet alleen dat QED weg, dan moet Jacobs' uitwerking compleet de prullenbak in.
Ik was ook toen met Vernooij en ik ben nog steeds tot elke discussie bereid en uiteraard tot terugtrekking van al wat ik ter zake heb geschreven, mits Vernooij of wie ook mijn gegeven bewijs kan weerleggen.
Het dispuut Vernooij - Jacobs gaat niet om niks.
Het was Vernooij die een en ander in perspectief plaatste: "Leerboeken die de studenten of leerlingen het voorcalculatorisch bezettingsresultaat gemakshalve op basis van producten per jaar laten uitrekenen en zelfs de uren achterwege laten om de sommetjes eenvoudig te maken, zetten hun leerlingen en studenten op een dwaalspoor. Zij creëren 'kennisillusie'. De leerlingen en studenten moeten wel de foute aanpak leren, want de urengegevens die nodig zijn om het bezettingsresultaat op correcte wijze te berekenen ontbreken eenvoudigweg. Zelfs Professor Slot in zijn Elementaire Bedrijfseconomie maakte zich schuldig aan deze 'valse' didactiek. Leerlingen en studenten denken dat ze het snappen en als ze de geleerde formule toepassen bij de nacalculatie komt er een rode streep door. Al die auteurs houden het zogenaamd simpel bij de voorcalculatie en melden bij de nacalculatie niet dat zij de leerlingen c.q. studenten in een eerder stadium misleid hebben. Simplificaties zijn complicaties."
Vernooij beweert: bezetting heeft te maken met machinetijd en moet gemeten worden in uren per periode. Onder- en overbezetting dus ook. Naar zijn idee is elke poging om bezetting in producten per periode te vangen een foute methode ook als die leidt tot een goede uitkomst.
Vernooij vervolgt: dat talloze economen voor het gemak de materie uiteenzetten aan de hand van homogene massaproductie en aannemen dat er geen voorcalculatorische efficiëntieverschillen zijn is hun goed recht, maar die vereenvoudigingen veroorzaken - volgens Vernooij - de problemen. Zeker als zij voorcalculatorische bezettingsresultaten laten berekenen en wel productieaantallen geven, maar geen urenbezetting. Alle grote economische auteurs van Slot tot Tijhaar doen dat en ik (Vernooij) ga geen kruistocht beginnen tegen die mensen. Trouwens het formuleblad van het laatste M&O-examen bevatte diezelfde fout, terwijl in het examenprogramma toch duidelijk de bezetting in uren per periode staat met formule en al. Kortom, ik heb een artikel erover geschreven in het Tijdschrift voor het Economisch Onderwijs en daarmee is voor mij de kous af. Aldus Vernooij, die elke verdere discussie ontwijkt.
De VU (Vrije Universiteit) - werkgever van Vernooij - dekt Vernooij en leidt daarmee de eigen studenten slecht op. Zodra de VU tegenspraak levert, verschijnt het op deze plaats.
Vernooij heeft bewezen ongelijk. Zie de openbare stukken ter zake waarin de argumentatie van Vernooij tot in detail is behandeld en met recht en reden is weerlegd. Bijvoorbeeld ook in paragraaf 4, getiteld 'Dispute Vernooij - Jacobs', pp. 25-31 van bovengenoemd paper SSRN_ID400120_Budgeting and Budgetary Control - dat via http://www.ssrn.com/author=333079 GRATIS is te downloaden. Vernooij kan niet doen of zijn neus bloedt. En de VU? En mondige studenten?
Definitions and redundant formulae. Soulless tuition, not inspiring. See numerous textbooks and curricula. Sales variance, budget variance, production costs result. Mixed budget. Flexible budget. 'Pre-calculated' budget. Real budget. Who does see the wood for the trees? No wonder, one cannot keep the track. It is quite reasonable that one is talking round and round the subject matter.
It is not necessary to introduce new meanings for words that are mentioned in any good dictionary. Surely that is one of the reasons why things are going badly on a massive scale, with regard to budgeting and budgetary control. Volume variance, to give an example, can be the variance of a particular volume indeed, but it may also represent any combination of for instance market size variance and market share variance, introducing the notions 'size' and 'share' with various meanings leaving room for misunderstanding.
Formulae? One can do without them. Just a few notions are necessary, the very basics like efficiency variance has to do with used quantities, there are fixed costs (to be redeemed by the normal rush of business) and variable costs, just such general definitions. More than these well-known notions is not really necessary. What one encounters in many textbooks is pure ballast, giving more trouble than comfort. The phrase 'efficiency variance' is normally used in case of direct wages, but it is 'usage variance' when direct materials are involved and 'volume variance' can be a variance in quantity with regard to fixed overhead, whereas exactly the same is called 'efficiency variance' again in case of variable overhead. Price variances, sometimes it is a 'price variance' indeed, but it can be named also 'rate variance' or 'expenditure variance'. It applies for notions, formulae and all kinds of aids and appliances: the fewer the better. The person calculating the variances has to permanently keep control of everything he is calculating. As distinct from the messing around with all those variances by definition, demonstrated by so many writers in so many textbooks. Faults, errors and mistakes are dangerous because they may usher in wrong conclusions.
There are fixed costs and variable costs, existing almost always and consequently there is talk of so-called mixed budgeting i.e. a budget within which variable costs besides fixed costs are present. The allowed variable costs self-evidently are dependent on the (planned) volume of production. This will happen almost anywhere, anytime; not just in the case of proportionally variable costs. It is nonsense to speak - again another notion - about 'flexible' budgeting if and when non-proportional variable costs are budgeted. Is mixed budgeting supposed to be not flexible? And flexible budgeting is not mixed either?
Quote from university material for reflection Twente University: Bedrijfseconomie voor CT&M (186050), Inleiding Bedrijfseconomie voor W&M (186001); responsible lecturer Dr Ir I.C. Kerssens-van Drongelen:
Flexible budgeting Each period, a 'pre-calculated' budget is calculated, on the basis of the expected level of production. The real budget is calculated ex post, on the basis of the actual level of production.
'Pre-calculated' budget is a tautology. "Real budget" (?). The first mentioned budget, isn't it real too? In the ex ante budget, planned orders are stated; pre-calculation. Ex post, from the after-calculation, it appears how many orders were actually present. The variable costs related to the real level of production are of course included within the real costs. One cannot see the allowed variable costs apart from the real orders in production. The same applies for allowed time, allowed usage of material, allowed waste, and so on and so forth. One has to acknowledge this link always, if not, one perpetrates a blunder. The real orders in production only are up to redeeming the fixed costs.
With respect to budgeting and budgetary control, a lot is going on badly in practice. That's no wonder, since numerous textbooks do not present the variances clearly. Using unnecessary words, notions, definitions, formulae, whereas common sense is the key notion. Students can learn what and how easily. Just realise that there are usually fixed and variable costs, besides a normal rush of business culminating into standard unit-costs and altogether the SB (Standard Budget); flexible, mixed, whatever. It all starts with knowing the references. For each and every single item, it's the very first question. What should it be? What is it one can expect? What is not a surprise? And actually it is? That difference is the variance one is seeking.
Formulae? One can do without them. In particular those variances, which are not ready at hand; logical thinking only, starting with the reference involved, will lead to what the variance is (fact-finding first), after which the underlying cause, can be exposed. In literature, a so-called Dutch method is proclaimed versus a method that is called the American way besides still various other approaches. However, always just one method, neither Dutch nor American or whatever, can be the right one.
The base is logical thinking, common sense. All ex ante budgets as well as ex post statements have to be crystal clear. Industrial accountancies that are not transparent are good for nothing. Always, one working-out is correct, just one, presenting not only totals correctly, but stating all sub-variances in each and every detail, clearly and completely. Working-outs that are not clear, which do not speak for themselves, which are not proven, should be expelled, before they hurt people and harm their businesses.
Lespakket 6
Waar - in de praktijk - geldt het zaagtandvoorraadmodel dat de basis, de vooronderstelling is van de formule van Camp?
Met andere woorden, de toepassing van dit stuk theorie in de praktijk, hoe is het daarmee gesteld?
Dezelfde vraag met betrekking tot de optimale Product-Mix.
Er zijn dikwijls honderden producten (elk type, elke afmeting, elke kleur is weer een ander product) en honderden constraints (vaak is sprake van veel verschillende productiefactoren, uiteenlopende machines, diverse soorten arbeid, enzovoorts). De transformatieregels van het Simplex algoritme zijn in Lespakket 6 uit de doeken gedaan en ook is getoond hoe met behulp van Excel een en ander is uit te voeren.
Waar - in de praktijk - is hierop verder doorgebouwd met toegespitste software? Wie zit met deze problematiek? Wie heeft praktische oplossingen gevonden die succesvol werken? Roept u maar. Help elkaar. Stuur uw e-mail naar info@jbadatabank.com
Lespakket 7
Over interne verrekenprijzen ofwel transfer prices zijn in Lespakket 7 prikkelende uitspraken gedaan. Door mij, Jan Jacobs, de auteur. Ik ben benieuwd naar reacties. Hoe gaat de praktijk ermee om?
Dezelfde vraag met betrekking tot de toerekening ofwel verbijzondering van indirecte kosten. Over ABC (Activity Based Costing) heb ik mij kritisch uitgelaten. En ik lanceerde in Lespakket 7 een ander, volgens mij beter idee. Allicht ben ik benieuwd naar reacties. Wie het (nog) beter weet, mag het zeggen. Ik wil graag weten hoe de praktijk met deze problematiek omgaat. Stuur uw e-mail naar info@jbadatabank.com.
Lespakket 8
"Ondernemingen kampen voortdurend met het financieringsvraagstuk dat blijvend goed is op te lossen door permanent goede relaties met de diverse financiers te onderhouden" is gesteld in Lespakket 8, waarin is getoond dat aandelenemissies zijn door te rekenen middels een stelsel van x vergelijkingen met x onbekenden. Verder gaat het in Lespakket 8 om immateriële activa in relatie tot de zogeheten financial accounting. Genoeg stof voor discussie, lijkt me.
Lespakket 9
In de handboeken worden zogenoemde korte SHBM-overzichten gepresenteerd, die per definitie maar een deel van het geheel beschrijven en daarom a priori geen goed inzicht geven. Ook de lange SHBM-overzichten, zoals ze in de literatuur worden genoemd, geven niet het complete verhaal. Evenmin het kasstroomoverzicht, zoals de indirecte methode wel wordt aangeduid. Het argument dat de indirecte methode de voorkeur zou verdienen omdat bij deze methode aansluiting wordt gevonden bij de posten van de balans - dit argument staat in veel leerboeken - snijdt geen hout, want aansluiting wordt slechts gevonden bij de mutaties van inderdaad alleen de balansposten met daarbij enkele posten van de bijbehorende verlies- en winstrekening. In Lespakket 9 is getoond dat de directe methode niet alleen naadloze aansluiting vindt bij letterlijk elke post van de balans maar ook bij elke post van de verlies- en winstrekening. Bovendien, de opstelling van het SHBM-overzicht volgens de directe methode is eenvoudig te leren; het is niet meer dan het herhaald toepassen van steeds één en dezelfde logische redenering, feitelijk niet meer dan een simpel trucje. Commentaar? Stuur uw e-mail naar info@jbadatabank.com
Dit paper is, zoals al mijn andere papers op SSRN, GRATIS te downloaden.
In SSRN_ID365100 is fors kritiek geleverd op het leerboek 'Jaarverslaggeving' van de auteurs P. Epe en W. Koetzier, uitgever Wolters-Noordhoff, Groningen, 1996. Noch auteurs, noch uitgever hebben adequaat gereageerd. Overal (hbo, universiteit en elders) waar dit boek of een soortgelijk boek in gebruik is, wordt op een hoogst onverantwoordelijke wijze onderwijs gegeven, ronduit slecht onderwijs dus.
De AFM (Autoriteit Financiële Markten) houdt toezicht op het gedrag van de Nederlandse financiële markten, waaronder valt het toezicht op naleving van Wtfv (Wet toezicht financiële verslaggeving). In deze Nederlandse wet, die voortvloeit uit Europese wetgeving, worden ondernemingen verplicht IFRS (International Financial Reporting Standards) aan te houden c.q. op te volgen. Op IFRS is - in de marge - kritiek geuit, onder anderen door Prof. Dr. M.N. Hoogendoorn. Echter, Hoogendoorn is bezig met achterhoedegevechten en erger, hij houdt zich ziende blind voor The Profit Formula®.
Leerboek 'Externe Verslaggeving', 6e druk (2004), ISBN 9020732773
Auteurs: Prof. Dr. J. Klaassen en Prof. Dr. M.N. Hoogendoorn
Kritiek op dit leerboek door Ir J.F. Jacobs Zie hierover ook de video
Lees verder en klik Klaassen_Hoogendoorn_boekbespreking om deze kritiek als PDF te openen. Noch auteurs, noch uitgever hebben gereageerd. Overal waar dit universitaire leerboek in gebruik is, let men daar wel goed op? Studenten mogen best vragen stellen en kunnen mijn kanttekeningen deels zelf toch ook wel plaatsen, nietwaar?