| |
Bedrijfseconomie cursus
Vragen en Antwoorden
|
| Secties / Sections:
Bedrijfseconomie
Weblog
E-course
Webshop
Kennis is Macht
Mis dit niet!
JBA-Kwartaal ... meer info
Inschrijven eZine over
Toegepaste Bedrijfseconomie
In de eerste week van elk kwartaal
Rechtstreeks in je inbox!
En ontvang direct GRATIS
E-book Geld KOST Geld, 64
pag., ISBN 9073397065
Winkelwaarde 13,15 Euro |
|
JBA-Databank
KvK nr. 06058640
7522 HJ Enschede (NL)
info@jbadatabank.com |
|
|
|
Vraag op pag. 28. Hoe luidt het antwoord? Vraag ingezonden door: Jan Jacobs Vraag toegevoegd op: 22/01/2008 om 13:24
Hieronder staat het antwoord op de vraag: Vraag op pag. 28. Hoe luidt het antwoord?
Het alledaagse voorbeeld op p. 28 (Lespakket 1). Het antwoord luidt: er moet 665,63 worden afbetaald op tijdstip 28, nadat 27 keer 1.000 is betaald.
Aanwijzing:
Reken eerst het gegeven jaarrentetarief 9 % om naar het evenwaardige maandtarief.
Stop dat maandtarief in de Ann. formule, waarbij geldt Ann = 1.000 en de enige overblijvende onbekende is de exponent N.
Algebra!
Het is Algebra, geen Bedrijfseconomie, om die N uit te rekenen.
Uit de Algebra volgt N = 27,66482... en dus geldt in de bedrijfseconomische werkelijkheid dat N = 27 en op dat tijdstip is dan nog sprake van een restwaarde.
Vul alles wat bekend is in, in de (volledige) Ann. formule, dus met daarin alleen nog de onbekende variabele Rw.
Rw blijkt vervolgens (Algebra) te zijn 660,86109 ...
OP TIJDSTIP 27!
Dus 1 maandperiode verder is dat met de maandrente aangegroeid tot 665,62413 .... nog schuldig op t = 28.
De bank zal altijd in eigen voordeel afronden tot het antwoord: 665,63
Met 665,62 zou de bank een restje laten zitten, zichzelf tekort doen, nietwaar?
Terug naar de Vragen & Antwoorden |
| |
|